Bijna iedereen die ophoudt met roken, heeft wel eens een moment van zwakte.

De aandrang om een sigaret te nemen is op sommige ogenblikken onvoorstelbaar sterk.

De motivatie en de redenen die je eigen gedachten aandragen schijnen op die momenten volkomen logisch.

”Ach, ééntje kan geen kwaad.” En meer van zulke vreemde beweegredenen om er één op te steken.

De dwang van je eigen brein is zo sterk dat je er niets aan kunt doen, je neemt een sigaret van één van je mede-verslaafden.

Merk op dat het altijd je collega-rokers zijn die je met veel vergenoegen van sigaretten voorzien.

Tegen deze stemmen -jouw eigen gedachten- gaan we iets doen. Heel eenvoudig.

gerookte zalm

We bespraken dit systeem al eerder op de pagina’s de psyche en vreetbuien; voor de mensen met een eetstoornis.

Die in plaats van rook-, eetaanvallen hebben.

Als je plotseling met een heftig verlangen naar een sigaret te maken krijgt, dan steken er gedachten de kop op die het roken op dat ogenblik willen rechtvaardigen.

Gedachten die allerlei ”goede” redenen aandragen. We spraken er al kort over op de pagina roken2.

Dit zijn, als je er even goed over na denkt, hele domme motieven zoals: ”vandaag rook ik nog, morgen stoppen is nog vroeg genoeg.”

Of: ”Nu is gewoon nog niet het juiste tijdstip om er mee op te houden.” ”Als ik met sporten begin houd ik meteen op.”

”Er zijn zat oude mensen die roken, je gaat er heus niet altijd dood van.” ”Ik word toch nooit ziek.”

Iedereen kent deze smoezen. Deze stemmetjes zijn je eigen gedachten die zaken recht praten die eigenlijk krom zijn.

Deze stemmen zijn een deel van je persoonlijkheid. Deze deelpersoonlijkheden vormen samen je denkprocessen, processen die iedereen vanaf de vroegste kindheid ondergaat.

Als er een beslissing genomen moet worden overleg je met jezelf, met deze deelpersoonlijkheden.

Wat hier gebeurt wordt ook wel ”nadenken” genoemd.

Om deze stemmen te kunnen bevechten moet je ze eerst leren kennen. De mensen kennen negen deelpersoonlijkheden en je ware ik. Hier komen ze:

1. De perfecte: ”één sigaretje? Helemaal nooit meer! En geen nicotinepleisters en geen kaugum. Helemaal niet nodig! Gewoon ijzersterk helemaal niets meer. En je gaat ook sporten, iedere dag, vanaf nu.”

Dit deel geeft je altijd een rotgevoel, want het wijst je voortdurend op je zwaktes en op alles wat niet perfect is. Het zet je onnodig onder druk; waardoor mislukking zeker is. De zelfveroorzaakte stress dwingt je weer met roken te beginnen.

2. De goedbedoelende: ”oh, gewoon een tijdje ’s avonds niet roken, alleen nog overdag. Dan wordt het snel minder en kan je gemakkelijk stoppen.”

Dit deel is de redder in de nood, en helpt je van de wal rechtstreeks de sloot in. Dit kan niet lukken.

3. De imago-gevoelige: dit deel is gefixeerd op hetgeen de buitenwereld van hem of haar denkt.

In de kroeg met bravoure een sigaret opsteken, om je rokende vrienden te laten zien dat je aan zulke flauwekul als stoppen niet mee doet; terwijl je op je werk, waar de baas en niet rokende collega’s er op toe zien (roken is hier not done) stiekem in de pauze of op een toilet rookt.

Alles draait hier om uiterlijkheden en hoe anderen over je denken.

4. De machteloze: ”ik heb af en toe een sigaret nódig, anders krijg ik een slecht humeur en kan ik niet meer functioneren. Ik wil wel stoppen maar dat lukt toch niet.”

Dit is de ”arme ik” persoon, vol van zelfmedelijden.

5. De overzichtelijke: deze persoon heeft de behoefte altijd alles te regelen, iedereen te controleren en alles te moeten weten. Alles moet zijn vaste plaatsje hebben en alles moet altijd hetzelfde, veilig, zoals altijd. Alles in de hand houden.

Dit is natuurlijk erg stressig voor je zelf, een zelf opgelegde druk. Je hebt de peuken nodig.

6. De onzekere, bang voor veranderingen. ”Ik weet niet wat er gebeurt als ik alles anders ga doen, dat wordt toch niets, dat lukt nooit.”

Dit deel is de bange, de angstige met wantrouwen in alles en iedereen. Dit deel ziet altijd zwart, altijd pessimistisch.

7. De mateloze: ”één sigaret, en dan alleen deze slof nog, dan stoppen we, hahaha. En een biertje nemen we ook nog even, of twee of drie; morgen is het nog vroeg genoeg om heilig te worden.”

De grenzenloze genotzoeker, nooit genoeg. Houdt niet van zelf opgelegde regeltjes.

8. De bazige: ”je bereikt er toch niets mee, rook nou maar gewoon. Je wordt alleen maar dik. Het lukt je toch niet, het is je nog nooit gelukt.”

De drammer, de negatieve, de wraakzuchtige. Onderdrukt alle kwetsbare gevoelens.

9. De gemakzuchtige: ”nou, ik vind het wel goed zo, hoor, die paar sigaretjes. Het gaat toch prima, zo word je toch ook oud. Het maakt toch niet echt iets uit?”

Het gewoontedier met zijn schijnveiligheid.